François Valentyn
Beschryvinge van Kaap der Goede Hoope, met de Zaaken daar toe Behoorende
Deel I en II
|
|
Deel I toegelig
deur P. Serton, W.J. de
Kock, R. Raven-Hart en E.H. Raidt Deel II uitgegee
deur E.H. Raidt. English translation by
Maj. R. Raven-Hart English introduction by P.
Serton François Valentyn |
|
|
François Valentyn (1666–1727)
was sent out to the The second part of Valentyn's travels continues with the account of his
visit in 1702 and a later visit of 1714. It includes a lengthy account of the
customs of the Khoi and their language, the fauna
to be encountered and the early history of the settlement Wild striped ass |
|
|
|
schip, Stavenis genaamt,
en uit Bengale den 18den December 1685 komende, den 16den Februari 1686 te
verliezen. Dit quam door enkel verwaarloozing van den Stuurman,
die de wagt had, en die tot twee-maal toe van de sterke branding voor uit
door de man op den uitkyk, en door ‘t yolk op de bak, gewaarschouwt
wiert, maar die dit volk nog dreigde voor hun gat te geven, alzoo men nog wel
200 mylen van de wal was. Deze bleven dus met hun schip op ‘t land van de
Kaap; doch waren nog zeer verre van de Tafelbaai. Al ‘t volk was aan land
gekomen, uitgenomen 13 man, die in de swaare branding gebleven of verdronken
waren. De schipper, Willem Knyf, was
zoo ras niet aan de wal, of eenige Hottentots quamen by hem, en waarschouwden
den zelven, dat een weinig Noordelyker nog een schip met blanke menschen
gebleven was, dat men bevont een Engelsman te zyn. Met deze besloot men een
vaartuig van de stukken en stollen te maaken, en daar mede na de Kaap te
zeilen. Dit nu klaar geraakt zynde, is de schipper Knyf met het zelve, nevens 10 matroozen, en eenige Engelschen, na
de Kaap gezeild, en in ‘t begin van Maart daar aangeland; doch de overige van
zyn yolk, ontrent 48 man sterk, die ‘t met dit vaartuig over zee niet dorsten
waagen (onder welke deze zeilmaaker mede was) zyn landwaart in gegaan, om te
zien, of zy zoo aan de Kaap konden geraaken. Zoo ras zy wat dieper
landwaart in gekomen waren, ontmoetten zy eenige veeryke Hottentots, die hen
niet alleen zeer minnelyk en vriendelyk ontfingen, en 2 jaaren lang van hun
vee met vleesch en melk gespysigt, maar ook alle bedenkelyke vriendschap en
genegenthetd na hun vermogen bewezen, en hen eindelyk aan ‘t Kasteel behouden
gebragt hebben. Door hun lang verblyf
onder deze Hottentots hadden zy meest hun taal al geleert, en daar waren ‘er
ook eenige, die zich met eenige Hottentottinnen (by gebrek van beter) zoo
verre vermengt hadden, dat zy ‘er eenige kinderen by hadden overgewonnen, ‘t
welk zommigen, uit aanmerking van de liefde en trouw, hen 2 jaaren lang
bewezen, bewogen had, om deze Hottentottinnen (gelyk hunne makkers deden)
niet te verlaaten, maar liever altyd, om de kinderen, die zy reets by haar
hadden, by de zelve te blyven, gelyk zy altyd daar by gebleven zyn. Dus bragten de Hottentots
in ‘t jaar 1714 den 26sten Februari ook een |
them to the sail-maker in our ship, when in 1695 I journeyed homewards He as an
old man had the misfortune to lose his ship, named Stavenis,
on the 16th of February 1686, having sailed from Bengal on the 18th of December
i685. This was due to mere carelessness of the Mate, who was on watch and was
twice warned of heavy breakers ahead by the look-out and by the people on the
forecastle-head, but who
threatened to kick their backsides since they were fully 200 miles from the
coast. Thus they were wrecked on the mainland of the Cape, but still very far
from the Table Bay. All the crew got ashore except for 13 who were lost or
drowned in the heavy surf. The Master, Willem
Knyf, was no sooner ashore than some Hottentots
came to him, and informed him that
somewhat further North a ship had been wrecked, with white men aboard, which
they took to be English. With these they resolved to build a vessel from the
pieces and scraps, and sail her to the Cape. This being done, the Master, Knyf, sailed with 10 sailors and some
Englishmen, reaching the Cape at the beginning of March; but the rest of his
crew, about 48 in number (among whom was this sail-maker) did not dare to
sail in this vessel, and went inland, to see if they could thus reach the
Cape. As soon as they were come somewhat inland they met
some cattle-owning Hottentots, who not only received them in a very amiable
and friendly manner, and fed them for 2 years with the meat and milk of their
beasts, but also showed them all imaginable friendship and affection to the
best of their ability, and at last brought them safe to the Castle. By their long stay among these Hottentots most of them
had learnt their language, and there were also some, who (for lack of better)
had so far become intimate with some Hottentot
women, that they had fathered some children on them, and some of these, in
acknowledgment of the love and trust shown them for 2 years, had been moved
not to abandon these Hottentot women (as did their
comrades) but rather to remain with them for the sake of the children they
had already had by them, as also they indeed did thus remain. Again, in 1714 February the 26th, the Hottentots
brought a Malabar |