Dagboek van Adam Tas, 1705–1706

 

Uitgegee deur Leo Fouché en hersien deur A.J. Böeseken met bykomende voetnote deur prof. A.M. Hugo.

 

English translation by Dr J. Smuts.

 

 

 

 

 

 

 

Map of the Cape Peninsula and Stellenbosch district

 

 

 

Adam Tas (1668–1722) was an early Dutch free burgher, farming in the Stellenbosch district. He is best known for the part he played in the free burgher conflicts with the Governor Willem Adriaan van der Stel, concerning the corruption of Company officials and their misuse of trading monopolies. This diary, the work of an engaging and genial man, describes the comfortable life of the emerging Cape 'gentry' and the drama leading up to the arrest of Tas as the ringleader of the malcontents

 

 

heeft geleeden. Hij begroot het wel op f1000, dog dit zal door hem bij vergrooting gezegt zijn. Men zegt datter een schoorsteen a twee neevens een bakoven zoude ingestort zijn. Wie weet wat dit nieuwe huijs dat soo langen tijd al onder handen geweest is, nog zal costen eer het voltoijd is. 't Huijs is op zodanige langwerpige wijse getim­merd, als de man die 't laat timmeren, in al zijn zaaken tot spreeken in cluijs langwerpig is.

 

Maandag den 28e. S’morgens was het stil aangenaam weer. Men heeft mij deesen voormiddag vertelt, als datter op Vergeleegen des Gouverneurs wijdlufte hofsteede door ‘t voornde: reegenweer een groot hok was ingevallen, ‘t welk 4 a 5 Hottentots ‘t leeven zoude gekost hebben; ook zouden eenige schaapen omhals zijn geraakt. Des namiddags aan ‘t huijs van Hans Contreman geweest zijnde, wierde mij verhaald als datter thans aan de Caab, door eenige quaadaardige of liever onkundige menschen op een vervloekte galbittere manier van Oom Husing wierde gesprooken. Onder andere wierde van hem gesegt dat hij een landverrader en bederver der ingeseetenen was, en terwijl datter nu nieuwe slagters aangesteld waaren, wierd er zeer geschimpt op de meenigte van zijn vee, waar van gezegt wierde dattet de kraijen nog zouden opvreeten, en dat hij nog een arm man zoude worden en diergelijke hondsvots of schobbejaks Taal meer. Wijders wierde van hem gesegt, dat Oom een quaad doender of quaadstooker aan de Caab was, en van mij zeijde men dat ik sulx aan Stellenbosch was, alle welke lasterlijke uijtstrooijsels en tastelijke onwaarheeden alleen uijt den kooker van den gouvernr: komen, om de menschen tegens Oom Huzing en mij op te hitzen, immers zoude die eervergeeten vend ons gaarne van kant helpen zoo ‘t hem anders doenlijk was. Die vervloekte Tijran heeft de Ingeseetenen zederd eenige jaaren op een ongehoorde manier gedrukt en geplukt, datze bijna baloorig zijn geworden, nu soekt die onbeschaamden schendbrok de schuld van zijn hals af te schuijven en mannen van eeren op dusdanigen manier een smette aan te wrijven. O Tijden! O Zeden! dog de regtvaardige God mag men hoopen zal ‘t quaad eens op des bazen.kop doen nederdaalen, en niet toelaten dat de Vroomen langer onderdrukt worden.

De gepasseerde nagt is ons coorn op het land over end gezet om te drogen, ook is er een partij Coorn van de halve Coornhoop afgenoo­men om te droogen, dezelve zal vervolgens in ‘t geheel werden af

 

these two days of rain in the middle of the dry season, as this is a most uncommon occurrence, which has likely never occurred before. I was also told that Mr. Mahieu, the sick-comforter, has suffered great damage caused to his new house by the heavy rain, which he estimates at f.1000, but he is probably guilty of exaggeration. They tell me that a chimney or two, besides an oven, has fallen in. Who knows what this new house, which has already been under construc­tion for such a longtime, will cost before it is finished. The house is as tedious in the manner of its construction as the man, who is having it built, is tedious, in all matters, even in his manner of speech.

 

Monday the 28th. Calm, pleasant morning. I was told this forenoon that at Vergelegen, the spacious homestead of the Governor, a large outbuilding collapsed as a result of the rain aforesaid, which cost the lives of 4 or 5 Hottentots, while some sheep also perished. This afternoon I was at the home of Hans Contreman, where I was told that some malicious or rather ignorant persons were speaking of uncle Husing in a damnably bitter manner. Among other things it was said of him that he was a traitor and corrupter of the citizens, and now that new butchers have been appointed, they mightily rail upon the multitude of his cattle, saying that they will yet be eaten by the crows, and that he will yet become a poor man, and more such lewd and scurrilous talk. It has further been said of my uncle that he is a malefactor or mischief-monger at the Cape, and of me they have said that I am another such at Stellenbosch, all of which libellous accusations and palpable falsehoods obviously emanate from the Governor alone and are intended to incite the people against uncle Husing and me; indeed, the infamous wretch would gladly make away with us if he could; the damned tyrant has for years oppressed and fleeced the burghers in an unheard of manner, with the result that they have become almost refractory, and now the impudent slanderer seeks to shift the blame from himself and to besmirch honourable men in such a manner. O tempora! O mores! Yet we may hope that the God of righteousness will one day bring