W.B.E. Paravicini di Capelli
Reize in de Binnen-Landen van Zuid-Africa. Gedaan in den Jaare 1803
|
|
Uitgegee
en toegelig met inleiding, voetnote, sketskaarte en verkorte weergawe in
Engels deur W.J. de Kock Hoofredakteur
Suid-Afrikaanse
Biografiese Woordeboek W.B.E.
Paravicini di Capelli |
|
Paravicini di Capelli was an artillery-captain at the time of the 'Hottentot Andrea Zwart Boye' |
|
|
haar gezicht al de teekenen van
een redelyk geslepen vernuft en geest, en gaf er in deze onderhandeling
verschyde blyken van. De kleding zoo van deze vrouw als van den Koning verschilde in niets van de
overige Kaffers, alleenlyk had Gaicka eenige lange snoeren fyne witte Coralen
omhangen, welke by uitsluyting het optooysel en teeken van opperhoofd of
koning zyn. Zy spysde deze middag aan
onze tafel; de Koning zag naauwkeurig toe hoe wy de lepel, vork en mes gebruikte,
en dit afgezien hebbende, bezigde Zyne Majesteit de zelve of hy niet anders
gewoon was. Het Europische eten smaakte hun ongemeen, gelyk ook de wyn. Gaicka zorgde met veel heuschheid dat
zyn kapiteinen welke rondsom de tent zaten ook iets mede kregen. Telkens als
hy een goede portie op zyn bord nam, at hy er jets van en rykte het
vervolgens aan zyne gunstelingen. De Moeder Koninginne, benevens de vrouwen
des Konings, badden uitermate apetyt en dronken een goede hoeveelheid
Kaapwyn. De Gouverneur gaf des
avonds eenige kledingstukken die hun by uitstek we1 bevielen, en zy ook
dadelyk aantogen. 1k droeg gemeenlyk een blauw jacket dat van een
oude montering gemaakt was en eene byzonder snit had, zoo dat de
Generaal, een extra antipathie aan dit stuk myner guarde robe hebbende, met
eenparigheid van stemmen werd besloten, de Koning Gaicka er mede nit te
dossen. De heer van Rheene, een zwaar wel uitgegroeyd mensch, had even als ik
een stuk in zyn klederkast dat gedoemd werd om aan de Koninginne moeder te
worden vereerd, bestaande in een Chitse Chambreloupe in welke hy gemeenlyk
sliep. De Generaal voegde by de kledingstukken voor Gaicka een zwart zyde
camisool, een geele nanking pantalon, en een paar soldatenschoenen. De vier
vrouwen ontfingcu ieder een wit linnen soldate hemd. Op deze wyze de
Koninglyke Famille uitgemonsterd hebbende, waren zy de bewondering hunner
onderdanen en kwamen trots te voorschyn zich zelve en elkanderen met veel
welgevallcu beschouwcude. De hoed met vederen van
den Generaal maakte de Koning vooral zeer gelukkig. Hy zeide dat de kross van
de gouverneur (hier mede de mantel meenende) hem ook wel zoude bevallen. Dit
werd echter maar voor notificatie aangenomen. VRYDAG
den 24e JUNY. Heden morgen was de twede byeenkomst tusschen den Gouverneur
en de Kafferkoning. De Generaal had zich in zyn tent geplaatst, oinringd van
de militaire officieren, de heer Van Rheenen en de burger commandanten.
Koning Gaicka die wy verwagt hadden dat zich in het fraay Europisch tooysel
van de vorige dag zoude vertoond hebben, had tog te veel gevoel van de
koninglyke waardigheid die hy by deze vergadering moest aannemen, dan dat hy
zich als san ons verplicht met onze geschenken by de vrede onderhandelingen
wilde vertonen, zoo dat hy (zoo als zeer verstandig van hem was ingezien) als
onafhangelyk opperhoofd der Kaffer Natie willende verschynen, in zyn
koninglyke tygerhuyd met ale zyne koralen omhangen en een kroon van witte
koralen op het hoofd in de tent trad, en zich op de voor hem bestemde plaats
tegens over de Generaal nederzette omringd van zyne kapiteinen, zyne moeder
en twee vrouwcu naast hem hebbende. Een groote menigte van zyn onderdanen
schaarde rich halve cirkels gewyze agter hem, ale met de wapens aan hunne
voeten. Coenraad de Buis benevens
een Gonacqua Hottentot, Hendrik genaamd, waren de tolken tusschen
de onderhandelende partyen. Gaicka sprak met veel bezadigheid en gezond
verstand; zoodra hem een punt werd voorgelegd, hield hy raad met zyne
vertrouwdste kapiteinen en beantwoorde dan met vastheid, tusschen beide zeer
wyze aanmerkingen makende. Onder meer andere bewyzen van zyn gezond verstand
wil ik alleen het volgende ten bydrage doen |
English summary obtained a Kaffir (Xhosa) equivalent immediately for a Dutch word from
colonists who bed fled to Kaffirland. Thus I have
been able to draw up a much more accurate and extensive collection which
follows here without omission. The words illustrate the degree of mental
development of the Kaffirs and the concepts approximating to civilization.
One could even make deductions from this list regarding their ideas of
religion, but I prefer to leave this to experts and give below (the 180 words
with their Dutch equivalents). Next, the weapons of the Kaffirs: the making of
shields from hides, the assegai and the way in which it is
used, especially in hunting. A description of the knob-stick (kerrie) which resembles a dub and is also used to kill
game and birds at a distance. The working by the Kaffir of iron obtained from
rocks, from wrecked ships, and that which is bartered or stolen from the
Colonists, to fashion assegais. A description of the Kaffir method of
smelting iron from native rock by means of a hollowed-out white ant-heap and
home-made bellows. The process of hammering the glowing iron with stones attached
to wooden handles till a thin plate is obtained to make the blade of an
assegai, which is then scoured to the proper shape. The Kaffirs love gew-gaws of
all kinds which they are only too eager to obtain in exchange for ivory
bangles, rings, assegais and kerries. They prize
razors above all. Never did we have the slightest unpleasantness while
among the Kaffirs and we regretted leaving them. I leave them, too, to resume
my narrative of the journey. SATURDAY, 25 JUNE.
This morning Coenraad de Buys came to take
leave of the Governor, returning to where he lived in Kaffirland
in order to make arrangements to come back soon to the Colony. Our route back was the same as on the journey here.
The Commandants Linde and Human shot an eland,
largest of the antelope species, weighing up to seven or eight hundred
pounds. These animals when wounded, sometimes charge the hunter with their
formidable horns levelled. We roasted eland loin
for the midday meal at a little stream, but the strong wind set fire to the
surrounding dry grass and bush at our camp and likewise to that of the
colonists. The two fires approaching each other, threatened oxen, wagons and
horses. We saddled and made off just in time, losing some equipment,
including my sword which I got back afterwards with the sword-knot and cord
burnt off entirely. An hour afterwards we had another experience; a swarm of
locusts which lasted a quarter of an hour and forced us to dismount, wrap our
cloaks around us and shelter our faces against the horses. The insects lay
some three inches thick on the ground and as we moved forward in this mess
the Hottentots gathered sacks full of the ugly creatures which they string on
sprigs and roast as a delicacy! By five o’clock we were at our camp on the Koonap River. SUNDAY, 26 JUNE. This morning we continued to the Kaga River where we had the midday meal. Here the
Commandants Botha and Human left us with the men of their commandos (to
return over Kookhuis to the Langkloof).
The Commandants were moved when they left and so were we since both they and
their young men by their genteel and courteous behaviour
in all respects gave the Governor cause for satisfaction. The oxen of
Commandants Human and Linde were exhausted and they
took a shorter route, to meet us again at Graaff-Reinet.
This night our camp stood in an open plain on a deserted farm (Vleyplaats?) of Prinsloo,
granted during the Graaff-Reinet disturbances. In Graaff-Reinet we shall try to discover why farms were
ever granted to far beyond the Great Fish River. This evening we saw an unusual, bright blue circle
around the moon. Everyone m our company declared that they had never seen the
like before. |