The Journal of
Carel Frederik Brink of the
Journey into Great Namaqualand [1761-2] made by
Captain Hendrik Hop
and
The Journal of the Journey of Ensign Johannes Tobias Rhenius
[1724]
|
|
Transcribed, translated
and edited by E.E. Mossop. A page from Brink's
journal |
|
Hendrik Hop was a Stellenbosch
farmer who led a pioneering journey into |
Section of a map of Namaqualand |
|
vervolgen,
waer op die meeste aannamen, zig te beraden, en hun gevoelen op morgen te
seggen. Sondag den 6 Decbr. Na
dat den Commandant alle de reijsgesellen weederom by een geroepen en haarl. Resolutie
op de gisteren door hem gedaane voorstelling hadde afgevraagd, soo wierd door
deselve eenpariglijk betuijgd, dat nadien haarl. wagens, door de langduurige
en doorgaans door d’allermoeyelijkste weegen gedaane togt, niet alleen ten
eenemaal ontramponeerd, maar de daar voor treckende ossen ook genoegsaam in
‘t geheel afgemat, en dus meerendeels buijten staat om met deselve langer
overweg te komen, waaren geraakt, en dat insonderheijd volgens de bekoomene
berigten, op den verderen weg, die men nog souden moeten passeeren, schier
geen water te vinden zijnde, dit gebrek door de dagelijxe toeneemende hitte
notoir soude komen te vermeerderen, zyl. het oversulx volstrekt ondoenelijk
oordeelden, het land dieper in te trecken, en dat men om selfs op onsen te
rug togt door gebrek aan water in geen ongeleegentheijd te vervallen, zig
alhier niet langer behoorde op te houden, maar de reijze ten spoedigsten
weederom Caabwaards aan te neemen, met byvoeging wyders, dat zy verhoopten,
dat onse hooge gebieders, goedgunstelijk overweegende, met wat
lijdsaamheijd, moeijte en gevaaren zy deesen togt tot hier toe hadden
afgelegd, zig van derselver bereijdwilligheijd om (by aldien sulx maar
doenelijk waare geweest) het land verder in te trecken, en dus doende het
voorgestelde oogmerk te bereijken, wel zouden gelieven verseekert te houden. Waarop dan beslooten wierd, om langs denselven weg
die wy tot hier toe hadden genoomen, de te rug reijze aan te neemen. Wy bevonden ons bier op de distantie van 120½ mylen
regt noord van Cabo de goede hoop, 5 3/4
mylen westlyker als de regte noordlijn en 21 3/4mylen regt noorden,
verder als den burger Jacobus Coetsee in ‘t jaar 1760 geweest is. Voor ‘t
overige werd deese gantsche Landstreek van de groote rivier |
Coetse and
Marais, asking them at the same time to consider
what ought further to be done and how best the
journey might be continued. Whereupon the majority agreed to give it thought
and express their opinions in the morning. Sunday 6th Dec. When the Commander had again
called all the company together and asked them for their decision on the
proposal made by him yesterday they unanimously declared that — because their
wagons had become completely useless by the long continued and most
laborious journey, and because their draughtoxen
were totally exhausted and thus in no condition to draw them any farther, and
especially because from the report received of the road ahead which must
still be traversed hardly any water would be found and this deficiency would
considerably increase with the daily increasing heat — they judged it
inadvisable to remain here any longer in order to avoid possible suffering
and inconvenience even on the return journey through lack of water; but
considered that we should return to the Cape as soon as possible — adding
that they hoped our Supreme Authorities, taking into consideration with what
patience, toil and peril they had so far completed the journey, would rest
assured that had it been possible they would have travelled
further inland with cheerful readiness in order to attain the desired object. On this it was resolved to commence our return journey by the same route on which we had thus far come. We found ourselves here at a distance of 120½ miles directly north of Cabo de Goede Hoop, 5 3/4miles westerly of its exact Longitude and 21 3/4 miles directly north of the place reached by the burgher Jacobus Coetse in the year 1760. For the rest this |