Die Dagboek
van Hendrik Witbooi,
Kaptein van die Witbooi-Hottentotte,
1884-1905.
Bewerk na die Oorspronklike
dokumente in die Regeringsargief, Windhoek
|
Forword by Gustav Voigts, The middle three, from left to right, are Samuel Isaak, Hendrik Witbooi and Isaak Witbooi |
|
|
A collection of letters, rather than a diary,
this remarkable work documents the activities of the Nama
captain, Hendrik Witbooi,
who resisted German incursions into the lands near the Gamsberg,
south-west of |
|
|
No
39.
Hoornkrans den 23 Juny
1891,
Myn lieve Samuel Maharero! Ik maak weder deze
paar regelen aan U. Ik heb
een brief voor U en heele Herero kinders gegeven, zoo vraag ik U, of U deze brief nog niet ontvangen hebt ? en als U zoud gekregen hebt, dan wach
ik op aantwoord, want als U my reeds zoud geaantwoord hebt, zoo heb ik de aantwoord
nog niet gekregen, zoo verzoek ik U zeer vriendelyk,
om my toch to geven. Ik kapitein
Hendrik Witbooi, No. 40.
Hornkrans den 28 Juny
1891. Geliefde Eerwaarde Heer R.
Doncan! Ik maak U nog verder bekend, ik hoor dingen
van de Duitschters, wat niet goed zyn
voor my, en wat ool: miesschien onze werken zal
tegen staan, en verhinderen, en deze dingen geven my groote bedenkens, want de Duitschters is nu in ons land ingekomen, en heeft nu al zyne
regten ingesteld ik heb nu
van myne ampenaars gehoor, dat nu
eene groote brief voor de stor van Rehoboth opgespyker is, waarop hy zyne regten
opgeschreven heeft maar ik sta
reeds in werk op
deze grond van ons rooi menschen,
en ik kan niet verstaan, wat de eigenlyke voornemens is van de Duitschters
by zeg tot de hoofden van
deze land, dat zy met hem vriendschap maken, omdat de andere sterke naties hunne grond zal vatten,
maar het lyk nu, dat
hy die man is wat de land
wil vatten, ik heb een
brief voor de Leeraar en witte mannen, wat op Atsab zyn gegeven, en gezeg, dat zy
die jonge damaras vat nog daar op Atsab
zyn moeten laten gaan, want door hun zyn die
damaras nog op Atsab want ik heb Atsab overwonnen
en verbrand, en die damaras
hebben die dag in de huizen der witte
mannen en Leeraar ingevlug, zoo heb ik myne handen
trug getrek, want ik heb niets
met witte menschen te doen, want ik heb eerbied
voor witte menschen, en ik wil niet tot witte menschen iets wat aanstootelyks
[is] doen of spreken, daarom heb ik
die huizen niet aangeraak, en verschoon die huizen van die witte mannen, alhoewel myne. vyanden daar ingevlug hebben, zoo heb ik voor die witte
mannen gezeg, dat zy die damaras
moeten laten gaan, dat ik
niet weder op Atsab met oorlog kom, nu hoor
ik, dat de Duitschters daar op Atsab zal komen,
en die damaras met geweld
laten weggaan, en Atsab opbouwen als zyn plaats,
zoo kan ik de werken van de Duitschters niet verstaan, want al zyne werken zyn
in myne paden en plaatsen maar ik wil niet
deze dingen aanzien, ik wil
niet eers iets veroorzaken, want ik ben alleen
met damaras te doen, van ouds, zoo als U Eld ook
weet, en die damaras
|
|
|
|
|